# 4 De Ambachtsheren en –vrouwen

Vorige week vertelde ik over het ontginnen van stukken land te midden van het veengebied tussen Leiden en Utrecht. Deze week ga ik het hebben over het besturen van een ambacht en vertel ik over de eerste ambachtsheren. Over wat er van die periode nog terug te vinden is in de stad.

Baljuwschappen en leenmannen

Zoals ik in mijn vorige blog vertelde vielen de ambachten onder het directe gezag van de graaf en werd een ambacht geleid door een schout. Maar er werd in de loop van de tijd steeds meer land ontgonnen, er kwamen meer ambachten en daardoor werd het steeds ingewikkelder voor de graaf om het gezag op de oude wijze uit te voeren. Het gebied dat we nu kennen als Zuid-Holland werd daarom onderverdeeld in districten, baljuwschappen, en in ieder district stond er een baljuw aan het hoofd. Deze baljuw was de voorzitter van een “college van welgeboren mannen”, ook wel een vierschaar genoemd. Zij oefenden in de eerste plaats de hoge rechtsmacht uit. Dat houdt in dat zij alle misdaden mochten berechten waarop lijf- en doodstraffen stonden. Daarnaast hielden ze toezicht op de naleving van allerlei regels en maakten ze ook wetten. En om een akte te krijgen die toestemming gaf om een beroep uit te oefenen moesten verschillende beroepsgroepen een eed afleggen in de handen van de baljuw. Dit alles werd ingesteld onder graaf Willem II van Holland in 1236. De ambachten Zoetermeer en Zegwaart vielen onder het baljuwschap Rijnland en deze zou blijven bestaan tot 1795. Toen kwam er, door de komst van de Bataafse Republiek, een eind aan het stelsel van baljuwschappen.

Later ging de graaf ertoe over om naast de schout en de baljuw nog een extra bestuurder in te stellen. Het benoemen binnen een ambacht van een schout, secretaris, bode, predikant, schoolmeester, kerkmeesters, schepenen en ambachtsbewaarders werd in gebruik gegeven van een vertrouweling uit de omgeving van de graaf of aan lieden die hij aan zich wilde binden. Het kwam er op neer dat de graaf aan een zogeheten leenman (bijvoorbeeld een vertrouweling) een stuk land of een recht in leen gaf. De leenman kon daar vervolgens vrij over beschikken op voorwaarde dat hij de graaf trouw zwoer en hem op verzoek met raad en daad bij zou staan. De graaf kreeg van de leenman bij belening een symbolisch geschenk, een heergewaad. Bij het overlijden van de graaf viel het leengoed (land/recht) terug naar diens opvolger die er dan weer over kon beschikken. Bij het overlijden van de leenman ging het over naar de oudste zoon van de leenman, en als er geen oudste zoon was viel het terug naar de graaf. Later zou overigens blijken dat ook vrouwen het konden erven maar daar later meer over. Tegen een forse vergoeding kon het leen door andere erfgenamen teruggekocht worden. Daarnaast was het ook mogelijk dat er sprake was van onsterfelijke erflenen waarbij het naar alle nakomelingen over ging en er waren edelen die hun eigen goederen opdroegen aan de graaf en het vervolgens weer in leen terug kregen. Dit laatste om de graaf gunstig te stemmen en zich te verzekeren van de bescherming door de graaf.

Ambachtsheren van Zoetermeer en Zegwaart

Terug naar Zoetermeer. De graaf van Holland heeft mogelijk al voor het jaar 1300 de ambacht Zoetermeer in leen uitgegeven aan Willem I Heer van Brederode. Tijdens de regeerperiode van Floris V (zoon en opvolger van Willem II van Holland, 1256-1296) behoorde Willem tot de rijkste en aanzienlijkste edelen van het graafschap Holland. Florens van den Doortoghe, de jongere broer van Willem I Heer van Brederode, hield Zegwaart al omstreeks 1281 in leen van de graaf. Zij waren, voor zover bekend, de eerste ambachtsheren van Zoetermeer en Zegwaart.

In 1323 kwam de zogeheten ambachtsheerlijkheid van Zegwaart via Beatrijs van den Doortoghe in handen van diens zoon, de Heer Jan van Egmond. Na het overlijden van Jan vielen zijn goederen toe aan zijn oudste zoon Aernt van Egmond. Hij deelde zijn erfenis met zijn broer Willem van Egmond en beleende hem onder andere de ambachten Zegwaart en Zevenhuizen. (Ridder) Willem van Egmond was degene die bij een waarschijnlijk al bestaande boerenhofstede een versterkte woning liet bouwen. In 1398 werd dit huis voor het eerst Palenstein genoemd. Vanaf 1979 hebben er opgravingen plaatsgevonden op de plek waar deze woning is gebouwd, bij de huidige Hoogvliet supermarkt in de Dorpsstraat. Hierbij kwam de roosterfundering van het versterkte huis weer tevoorschijn. Dit is een raamwerk van balken waarbinnen palen van 4,5 tot 6 meter diep de grond in werden geslagen. Veel van deze palen bevonden zich nog steeds in de grond.

In 1848 zijn de heerlijke rechten  van de ambachtsheren en -vrouwen, bij de grondwetsherziening, definitief afgeschaft. Dat betekent echter niet dat daarmee ook de titels van Heer of Vrouw van Zoetermeer / Zegwaart verdwenen zijn. Sterker nog, tot op de dag van vandaag heeft Zoetermeer nog steeds een ambachtsheer. Behalve de titel heeft de ambachtsheer nog een aantal zakelijke rechten. Rechten op het gebied van visserij (visrechten), het gebruik van een bank in de kerk en het eigendom van water. Zo zijn onder andere de Voorwegwetering en een deel van de Grote Dobbe eigendom van de ambachtsheer. De ambachtsheerlijkheid Zoetermeer is momenteel in handen van de familie Visser. Meer informatie hierover is te vinden op de site van de gemeente.

Volgende week: inklinkend land en turfsteken.

Volgende week ga ik het hebben over de boeren die te maken kregen met inklinkend land, het ontstaan van de Dorpsstraat en het turfsteken.

Bronnen

https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/zoekhulpen/baljuwschappen

http://johnooms.nl/heren-en-vrouwen-van-adel/heren-teylingen-en-brederode/

Een kasteel in de Dorpsstraat, Het Huis te Palenstein in Zegwaart; Redactie: Ronald Grootveld & Ton Vermeulen.

https://www.zoetermeer.nl/inwoners/geschiedenis_46848/item/ambachtsheren-en-ambachtsheerlijkheid_54877.html

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .